
Ongeveer rond 1200 v.C. vielen de Doriers de Peleponessos binnen. Ze waren afkomstig uit Noord-Griekenland en ze werden aangetrokken door de rijkdom van het Griekse schiereiland. De Doriers overwonnen de oorspronkelijke bevolking met behulp van ijzeren wapens en door het inzetten van paarden in de strijd. Na hun overwinning vestigden ze zich grotendeels in Sparta en omgeving.
Een ander volk, de Ioniers, veroverden Athene en heel Attika. De Spartanen ontwikkelden zich vooral op strategisch gebied en de nieuwe bewoners van Athene richtten zich meer
op de culturele ontwikkeling. Vele eeuwen waren deze twee volken met elkaar in ooplog om de aleenheerschappij over Griekenland te krijgen. Een eenheid is het land in de oudheid nooit geworden, maar rond 700 v.C. brak een relatief rustige periode aan die het begin betekende van de Griekse
Klassieke Oudheid.
De maatschappelijke en culturele ontwikkelingen in de periode van 700 v.C. tot ongeveer 100 v.C. hebben een enorm grote invloed op de Europese samenleving gehad. De Griekse Oudheid wordt daarom ook gezien als de bakermat van de westerse beschaving.
Hoe een cultuur uit zo een ver verleden zo een hoge mate van beschaving kon bereiken, is hoofdzakelijk te verklaren vanuit de manier waarop de samenleving in de Griekse Oudheid functioneerde.
De eerste voorwaarden voor het op gang komen van de geestelijke ontwikkeling van een volk zijn zowel politieke stabiliteit als economische welvaart.
Net als de oorstponkelijke bewoners leefden de nieuwe volken grotendeels van de handel. Ze woonden daarom in steden en namen zodoende actief deel aan het maatschappelijke
leven. Wanneer de economie van een volk op de landbouw is gebaseerd, is dit veel minder het geval. Het overgrote deel van de bevolking leeft dan
afgezonderd op het platteland, waar men de hele dag nogal simpel werk doet. In een dergelijke samenleving is de macht vaak in handen van een
zeer kleine groep, waarbij de boeren in dienst zijn. Dit wordt een feodale maatschappij genoemd. De handelslieden waren echter kleine zelfstandigen
en hadden daardoor meer bewegingsvrijheid dan de boeren.
De overzeese handel en de exploitatie van kolonies bracht voor de Grieken een periode van enorme welvaart. Ruimschoots in de eerste levensbehoeften voorzien kon men zich op cultureel gebied gaan ontwikkelen. De geestelijke ontwikkeling werd nog eens extra gestimuleerd door de kennismaking met andere culturen, waarmee de Grieken door hun handel in aanraking kwamen. Uit de vermenging
van Oosterse tradities, de restanten van de Minoische en Myceense beschaving en de drang om de wereld te ontdekken en te begrijpen, ontstond de Griekse
manier van denken.
Het onderzoeken van de verschijnselen die in de wereld plaatsvinden en die trachten te verklaren,
is een universele eigenschap van de mens. De manier waarop hij te werk gaat, is echter van tijd tot tijd en van plaats tot plaats verschillend.
Wij zijn gewend onbekende zaken op een wetenschappelijke manier te onderzoeken, terwijl men dit in de pré-historie probeerde te verklaren door
aan iedere gebeurtenis een bovennatuurlijke kraacht toe te schrijven.
In de Klassieke Oudheid voldeed de laatste benadering niet meer. Dat kwam omdat onder invloed van de handel het zelfbewustzijn van de mensen steeds
sterker werd. Het idee dat de mens slechts een nietig wezen is, volkomen afhankelijk van de grillen van de goden, werd niet meer geaccepteerd.
De Grieken in de Klassieke Oudheid werden zich bewust van hun vermogen iets rationeel te kunnen verklaren. Men beschouwde de dingen om zich heen
niet meer als door een bovennatuurlijke macht bepaald, maar probeerde
ze verstandelijk te beredeneren.
Zo ontstaat de filosofie (filos betekend vriend, sofos betekend wijsheid). Het woord filosofie betekent eigenlijk het willen vergaren van wijsheid, het onbekende willen
leren kennen. De filosofie in de Klassieke Oudheid was de basis voor de geestelijke ontwikkeling in het algemeen. De politiek, de religie, de
beeldende kunst, uitvindingen, alles werd erdoor beinvloed.
Filosofie werd in het begin gewoon op straat beoefend. De filosofen kwamen bijeen in de stoa, een overdekte zuilenhal gelegen aan de agora. De agora vormde het wereldse centrum van de stad en bestond uit een plein met daaromheen bestuursgebouwen, tempels, een theater en winkels.
Tijdens de bijeenkomsten van de filosofen werden ideeen en stellingen uitgewisseld. Sommige filosofen
verzamelden leerlingen om zich heen, waardoor verschillende scholen ontstonden: stoicijnen (ongevoelig voor tegenslagen van het lot), epicuriers (streven
naar onverstoorbare gemoedsrust), cynici (streven naar deugd, afstand van materie), sceptici (gemoedsrust door te accepteren dat niets in het
leven zeker is), sofisten etc.
Hoezeer deze scholen ook met elkaar van mening konden verschillen, toch hadden ze een aantal basisgedachten die van grote invloed zijn geweest op de
maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling van die tijd.
De mens werd als het middelpunt van het heelal beschouwd, als zelfstandig functionerend individu: De mens kan deels zelf bijdragen aan het welstagen van zijn leven. Om dit te bereiken moet hij zorgen dat zijn leven geen chaos is, maar dat hij een zeker evenwicht bereikt.
Het evenwicht, de harmonie, is een belangrijk begrip in de Klassieke Oudheid geweest. Optimale harmonie werd als teken van goddelijkheid beschouwd. In de opvoeding van
de jonge
Grieken werd daarom veel zorg besteed aan het in evenwicht brengen van lichaam en geest. In de gymnasia werden de jonge Grieken athletisch getraind maar tegelijkertijd waren er geleerden aanwezig om hen te onderwijzen in de grammatica, astrologie, de redekunst en andere vakken. Men streefde zowel
naar geestelijke als naar lichamelijke perfectie.
In de samenleving van de Griekse Oudheid heeft zich een rationele mentaliteit ontwikkeld, waarin innerlijke en uiterlijke schoonheid (verkregen door harmonie) een belangrijke rol spelen.
Ook in de organisatie van de maatschappij, dus op het bestuurlijk niveau, komen de basiselementen van de filosofie tot uiting. Doordat de mens als middelpunt van de wereld
werd gezien, groeide het idee van gelijke rechten voor iedereen (dit had echter alleen betrekking op volwassen mannen met een burgelijke status).
Hieruit kwam de democratie als staatsvorm tot ontwikkeling (demos is volk; heerschappij van het volk). De Griekse democratie was een organisatievorm
waarbij de meerderheid van stemmen bepaald wat besloten wordt. Iedere volwassen mannelijke burger had de plicht te stemmen, wanneer de gelegenheid
zich voordeed. Het verzuimen van het stemmen werd gestraft door de betrokken persoon de burgerlijke status te ontnemen. De mensen die op die manier hun positie in de maatschappij verloren werden idiotis genoemd.
De bovenstaande elementen in de Griekse samenleving waren de voedingsbodem voor het opbloeien van allerlei culturele activiteiten, zoals literatuur, architectuur en beeldende kunst.
Het streven naar harmonie en uiterlijke perfectie komt heel duidelijk naar voren in de Griekse beeldhouwkunst. De mannelijke naakten hebben een gespierd
en een perfect geproportioneerd lichaam.
Hun gezichtsuitdrukking is afstandelijk en beheerst. Uit de optimale harmonie van lichaam en geest die uit zo
een beeld spreekt, valt af te leiden dat geen aardse sterveling is weergegeven, maar een god.
Het streven naar evenwicht is ook duidelijk terug te vinden in de architectuur. Met name in de tempelbouw was dit van groot belang. De tempel was
immers het huis van een god. De verhoudingen van dergelijke gebouwen (de
hoogte, de lengte en de breedte) waren tot in de kleinste details op elkaar afgestemd. Als uitganspunt voor de juiste verhoudingen in de architectuur
diende het menselijk lichaam. We noemen dit bouwkundig principe ook wel de Gulden Snede.
Op deze manier komt de filosofische basisgedachte van de Griekse Oudheid tot uiting in de beeldende kunst en de architectuur.
Tevens bepalend voor de Griekse samenleving was de religie. Deze was gebaseerd op mythen.
De term mythologie betekent: kennis van de mythen. Oorspronkelijk betekende de term gesproken woord of vertelling. Tegenwoordig bedoelen we met mythe
een verhaal zonder enige kern van waarheid, dus fantasie. In de klassieke tijd hadden deze verhalen echter dezelfde betekenis, als in de christelijke
tijd de verhalen uit de bijbel.
In vrijwel iedere beschaving probeert de mens vat te krijgen op de dingen
die om hem heen gebeuren, zodat ze minder dreigend lijken. In pré-historische culturen werden mythische verhalen gebruikt om een verklaring te geven
voor de natuurverschijnselen. In de Griekse cultuur hadden de mythen echter meer functies dan dat. Ze gaven uitleg aan het ontstaan van de wereld
en de mensheid. Bovendien hielden ze de herinnering aan de stichting van belangrijke steden en gebieden en de heldendaden van volkeren en individuen
levend. De vertellingen over de helden hadden vaak een moraliserende functie: ze stelden de held als voorbeeld voor de mensheid.
Gedurende de gehele Klassieke Oudheid hechtte men veel geloof en waarde aan de mythen,
maar toch werden ze in de loop van de tijd steeds minder serieus genomen.
De mythen vormden dus de basis voor de Griekse religie in de oudheid. Aangezien kunstwerken hoofdzakelijk van religieuze aard waren (afbeeldingen van
goden) , zien we vele mythen in de Griekse beeldende kunst terug.
De Romeinen namen in grote lijnen de godsdienst met bijbehorende goden van de Grieken over.
Ze kregen echter wel een andere naam, zoals Jupiter, Diana, Neptunus enz. Opvallend is dat de Romeinen alleen die onderwerpen overnamen die bij
hun heersende maatschappij pastten, andere werden eraan aangepast. De Romeinen hielden zich veel bezig met het veroveren van nieuwe gebieden.
De goden van de Romeinen hebben dan ook een veel oorlogszuchtiger karakter dan dezelfde goden bij de Grieken hadden. De held, in het geval van de
Romeinen de oorlogsheld, nam een belangrijke plaats in in de cultuur en diende als voorbeeld voor de mensen.

