De nieuwste of moderne tijd onderscheidt
zich van de voorgaande perioden doordat zich een nieuwe groep in de maatschappij opdringt: de arbeiders.
Deze periode werd ingeluid door twee ingrijpende veranderingen in een maatschappij, waarbinnen de adel en het handelspatriciaat de macht in handen hadden.
Dit zijn de Franse Revolutie en de Industriele revolutie.
De Franse Revolutie was het gevolg van een stroming die in de tweede helft van de 18de eeuw
opkwam, namelijk de Verlichting. Vooraanstaande filosofen, zoals
Immanuel Kant, spoorden de mensen aan tot zelfstandig denken. Volgens hen zou de mens onwetend blijven zolang hij niet de moed had om op eigen gezag, dus niet onder leiding
van iemand anders, zijn verstand te gebruiken. Een zeer belangrijk aspect van dit idee was, dat werd verondersteld dat elk mens dit vermogen bezat, zodat iedereen feitelijk
gelijk is.
Dit had natuurlijk grote gevolgen voor de maatschappelijke verhoudingen in die tijd. Ook werden de mensen aangezet om de dogma's van de kerk eens
kritisch te bekijken en niet klakkeloos te accepteren. Het gevolg was dat de burgerij tegen de gevestigde orde in opstand kwam. De bekendste gebeurtenis
in dat kader is de bestorming van de bastille in Parijs op 14 juli 1789, waarmee de Franse Revolutie begon.
De Franse Revolutie had gevolgen voor de hele Europese samenleving. De steeds onafhankelijker wordende maatschappij ging eisen stellen met betrekking
tot medezeggenschap op bestuurlijk niveau. In veel landen werd een grondwet afgedwongen.
De Industriele Revolutie ontstond in Engeland, waar de produktie-methoden het meest geavanceerd waren. Deze revolutie verspreide zich in de loop
van de 19de eeuw over heel Europa.
Beide gebeurtenissen beloofdeneen toekomst met veel voorspoed, welvaart en politieke gelijkheid. Dejaren die volgden bewezen echter het tegendeel. Na de Franse
Revolutie was nog steeds geen sprake van vrijheid, gelijkheid en broederschap in Europa. Sterker nog, er werd gefluisterd dat de revolutie meer levens
gekost had dan het oude regiem. Bovendien werd in veel landen, na een korte periode van een verlichte regering, de klok weer teruggedraaid.
De Industriele Revolutie bleek aleen voorspoed te brengen aan de eigenaars van de fabrieken. Ten tijde van het oude regiem, waarin de adel en de
kerk de macht in handen hadden, leidde het volk een arm maar relatief vrij bestaan. Ze waren boer of ambachtsman. Verblind door de beloftes
van economische welvaart, verlieten velen van het het platteland en trokken naar de grote steden om daar in fabrieken te gaan werken. De ambachtslieden
werden min of meer gedwongen om in een fabriek te gaan werken, omdat de concurrentieslag met de machinale produktie-methoden velen brodeloos had
gemaakt. De beloftes over een beter bestaan waren loze woorden geweest, want het leven van een fabrieksarbeider bleek zwaar, ongezond en troosteloos.
Deze situatie heeft een tweeledige invloed op de kunstenaars gehad. Een grote groep kunstenaars ging zich richten op een nieuw publiek: de grote industrielen.
Hun smaak verschilde echter niet veel van de heersende traditie die in adelijke en andere welgestelde kringen heerste. Bepalend voor de norm
waren de regels van de kunstacademies. Van zeer grote invloed waren de Salons. Dit waren (half- of) jaarlijks georganiseerde tentoonstellingen
waar het publiek de kans kreeg met de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de beeldende kunst kennis te maken. Kunstenaars die zich niet wensten
aan te passen aan de academische norm, werden niet op een dergelijke tentoonstelling toegelaten en moesten hun kunstwerken op een andere manier zien kwijt
te raken. De Salon jury's beslisten dus eigenlijk over de smaak van het grote publiek.
De academische schilders zijn door hun inspiratieloze werkwijze nogal oninteressant voor de
kunstgeschiedenis.
Ze borduurden immers voort op een eeuwenoude traditie en probeerden deze met alle macht in stand te houden. Wel zijn ze interessant als tegenpool
van en misschien wel stimulans voor de vele vernieuwingen binnen de kunst die het begin van de moderne kunst inluidden.
De gevolgen van de politieke en industriele ontwikkelingen, zijn voor andere kunstenaars en architecten juist aanleiding geweest voor het ontwikkelen
van nieuwe tendenzen binnen de cultuur.
Een aantal schilders nam fabrieksaarbeiders en arme boeren tot onderwerp van hun schilderijen. Deze werken werden uiteraard door de Salonjury's afgekeurd.
De onderwerpen misten iedere gratie en voldeden niet aan de regels van de academische kunst. Bovendien wekten de schilderijen met tragische beelden
van arbeiderskinderen en dergelijke, irritatie op bij het belangrijkste publiek: de industrielen. Deze mensen wilden natuurlijk helemaal niet
geconfonteerd worden met de ellende waar zij zelf de oorzaak van waren.
Deze schilders worden gerekend tot de stroming van het realisme. Schilders van de realiteit zou je denken bij deze benaming, maar niets is minder
waar. Hoewel deze schilders zich schijnbaar interesseerden voor de gewone man en die op een realistische wijze afbeeldden, weerpiegeld hun werk
niets van de werkelijke omstandigheden waarin deze gewone man zich bevond.
Schilders als Millet en Courbet maakten schilderijen van de dagelijkse bezigheden van de mensen. De wijze waarop zij dit weergaven,
geeft aan die bezigheden en aan hun leven iets poetisch.
In werkelijkheid was hun leven verre van poetisch. Door de industrialisatie waren velen naar de
stad getrokken, waar het hele gezin, inclusief kleine kinderen, meer dan twaalf uur per dag moesten werken om genoeg geld te verdienen om in leven
te blijven. De wijken waarin zij woonden waren verkrot, er heersten besmettelijke ziektes, alcoholverslaving en werkeloosheid vierden hoogtij. Het zou nog
ongeveer vijftig jaar duren voordat aan deze situatie in de beeldende kunst aandacht besteed zou worden; en wel door Vincent van Gogh.
Het doel van de realisten was 'het realistisch weergeven' en niet om 'de realiteit weer te geven'. Ze zetten zich af tegen de kunstmatige composities van
de academische schilders. Om hun doel te bereiken verlieten veel schilders hun atelier om de mensen bij hun bezigheden te bestuderen, in plaats van
het naschilderen van een poserend model.
Een groot aantal van deze schilders verlaat de grote steden om weer op het
platteland te gaan leven, zoals in het plaatsje Barbizon. Hier hadden ze volop de gelegenheid om de hardwerkende boerenbevolking te observeren.
Bovendie introduceerden zij het schilderen in de open lucht (en plein air). Met name door deze vernieuwing heeft de School van Barbizon
enorme invloed gehad op de Haagse School en de
Impressionisten.
De realisten lijken zich op het eerste gezicht het lot van de verdrukten in de samenleving aan te trekken, maar hun schilderijen zijn enkel een
poetische interpretatie van hetgeen zich in de onderste lagen van de maatschappij afspeelt. Feitelijjk zijn zij net zo gericht op het winnen van de smaak
van het publiek als hun academische collega's.
De eerste sociaal geinspireerde vernieuwingen in de kunst vonden plaats binnen de architectuur en vooral binnen de toegepaste kunst.

