In de Middeleeuwen stond niet de mens centraal, zoals in de
Klassieke Oudheid, maar God en de kerk. Dit is een basisgegeven, dat gedurende de hele Middeleeuwen geldt.
De Middeleeuwen begonnen rond 500 n.C. In Europa was het een chaos door de vele invallen van barbaarse volken en later door de volksverhuizingen.
In deze periode van donkere eeuwen gingen de beschaving en de kennis uit de oudheid voor een groot deel verloren.
De economie steunde op de landbouw en het feodale systeem, zodat de bevolking
zich nauwelijks geestelijk kon ontwikkelen. De mensen hadden geen kennis
over de simpelste natuurverschijnselen of over ziekte en gezondheid. In alles werd de hand van God gezien. Deze mentaliteit is vergelijkbaar met
die van een primitieve beschaving. God was almachtig en iedere vorm van tegenspeod, ziekte of een mislukte oogst, werd gezien als Zijn straf.
Ook het verschil in rijkdom werd uitgelegd als de wil van God. Daarom schikte eidereen zich in zijn lot en voor het grootste deel van de bevolking
betekende dat keihard werken om zichzelf, maar vooral ook om de adel en de kerk te onderhouden.
De kerken en kloosters hielden dit idee natuurlijk in stand en benadrukte dat de mens op aarde
goed moest leven om een plaats in de hemel te verwerven. Het aardse bestaan was in de Middeleeuwen van ondergeschikt belang en het hele leven was
gericht op het hiernamaals. De angst om in de hel te komen, maakte de mensen zeer onderdanig aan de machthebbers.
Het idee van de ondergang van de wereld, dat in de vroege Middeleeuwen sterk leefde, versterkte deze angst en zorgde voor een grote toename van de christelijke devotie.
In het
visioen van Johannus de Evangelist, de Apocalyps of Openbaring, wordt de tweede komst van Christus op aarde voorspeld. Zijn komst zal het einde der tijden
betekenen en over de mensen zal een oordeel uitgesproken worden: het Laatste Oordeel. Tijdens dat laatste oordeel worden de zielen van de mensen gewogen.
De goede mogen naar de hemel en de slechte worden naar de hel verbannen. In de Middeleeuwen was men overtuigd dat deze gebeurtenis precies 1000
jaar na de geboorte van Christus zou plaatsvinden. Dit jaartal verdeelt de Middeleeuwen dan ook in de vroege Middeleeuwen (500 n.C. tot 1000 n.C.)
en de late Middeleeuwen (1000 n.C. tot 1500 n.C.).
De kerk was de plaats waar de mensen niet alleen het woord van God konden horen maar ook zien. De kerkdcoratie diende vooral om de mensen op visuele wijze de christelijke
leer bij te brengen. Het grootste deel van de Middeleeuwse bevolking kon immers lezen noch schrijven. De waarschuwingen voor de gevolgen van een
slecht aards leven, werden boven de ingangen van de kerk en in het interieur op treffende wijze weergegeven. Boven de hoofdingang, het westportaal,
is vaak een voorstelling van het Laatste Oordeel te zien. De voorstelling herinnerde de mensen aan wat hen te wachten stond en spoorde hen aan tot
een deugzaam leven. Ook op vele andere plaatsen in de romaanse (vroeg Middeleeuwse) kerk zijn de verschrikkingen van hel en verdoemenis afgebeeld,
die hetzelfde effect haddden.
In de middeleeuwse samenleving vormden de geestelijkheid en hoofse adel een elitegroep, die de macht volledig in handen had. Rond 1200 kwam daar echter verandering in, doordat de geldeconomie langzaam weer opkwam. Een deel van de bevolking wist zich te bevrijden uit het feodale systeem en kon door de opleving van de vrije handel een zelfstandig bestaan opbouwen. Hierdoor onstonden steden en een nieuwe bevolkingsgroep, de burgerij, die grote veranderingen in de maatschappelijke structuur teweeg brachten. Door een bepaalde vorm van zelfbestuur, mogelijk door de zekere mate van zelfstandigheid en onafhankelijkheid, werden de steden steeds zelfstandiger en vaak ook machtiger.
Het onstaan van de steden, de opbloeiende handelseconomie en het zelfstandiger worden van de bevolking breng een drastische verandering in de religieuze
beleving teweeg. Men beschouwde de groeiende welvaart als een teken dat God het goed voorhad met de mensheid. Het gevoel van angst voor de straf
van God maakte plaats voor de verheerlijking van Zijn glorie. Men was in euforische stemming van blijdschap dat God de wereld en de mensheid
had gespaard. Deze veranderende mentaliteit veroorzaakte een nieuwe stroming in de beeldende kunst en de architectuur: de Gotiek.
De kerk, het huis van God, moest een groots en stralend centrum van het geloof worden. Men probeerde een hemelse sfeer in het gebouw te verwezenlijken. De kerken werden daardoor veel groter en vooral veel hoger dan hun romaanse voorgangers. De traditionele romaanse tongewelven lieten dergelijke vergrotingen niet toe en na vele experimenten werd het
kruisribgewelf
uitgevonden. Dit type overwelving werd voor het eerst rond 1130 toegepast door abt Suger in de uitbreiding van het koor van de kerk van Saint Denis
bij Parijs.
Grotere kerken waren noodzakelijk vanwege de groeiende bevolking en de toeloop van pelgrims. Het
streven naar grote hoogte had een symbolische achtergrond. De kerk was het huis van God en het plafond symboliseerde de hemel. Die hemelse sfeer
werd versterkt door het licht in de gotische kerken. Het kruisribgewelf maakte grotere raamopeningen mogelijk, waardoor de kerken gevuld werden
met licht van buiten. In de ramen werden gekleurde glas-in-lood vensters gezet om een goddelijke atmosfeer te creeren.
De toenemende welvaart en het groeiende aanzien van de burgers zorgde voor de ontwikkeling van de wereldse bouwkunst. In de steden werden representatieve gebouwen, zoals het raadhuis en de handelscentra gebouwd. Ook dergelijke belangrijke gebouwen werden uitgevoerd in gotische stijl.
In de beeldhouwkunst was de nieuwe mentaliteit eveneens merkbaar. Boven de kerkportalen werden in plaats van de afschrikwekkende afbeeldingen van het Laatste Oordeel nu voorstellingen van een zogenaamde Majestas Domini (Christus in majesteit) afgebeeld. Evenmin werden de duivelse monsters, die de gelovigen moesten waarschuwen voor de verschrikkingen van de hel, nog langer afgebeeld. Het beeldhouwwerk van de gotische kerken gaf blijk van de bewondering die men had voor de Schepping. De wereld, zoals die door de middeleeuwse mens gezien werd, was in al haar facettren in en op de kerk afgebeeld: de verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament, de heiligen, de tekens van de dierenriem en de werken van de maand.

