Het woord klooster is afgeleid
van het Latijnse woord cloustrum, dat omsloten plaats betekend. Al in
de eerste eeuwen van het christendom ontstonden leefgemeenschappen waarbinnen
men zich hoofdzakelijk met het geloof bezig hield. De vorming van een
dergelijke gemeenschap is te vergelijken met de manier waarop de academies
in de Klassieke
Oudheid ontstonden. Een geleerd en gerespecteerd persoon heeft
een bepaald aanzien, waardoor anderen zich bij hem aansluiten als zijn
leerlingen. De gemeenschappelijke factor binnen de vroeg-christelijke
communes was het denken en praten over het geloof.
In de zesde eeuw ontstond
een christelijke leefgemeenschap, die het voorbeeld werd voor alle kloosters
die daarna in West-Europa gesticht zouden worden.
In 529 werd in Monte Casino
in Italie een klooster gesticht door Benedictus van Nursia. Hier werd
niet alleen met elkaar gepraat over het christendom, men probeerde ook
op de manier van Christus te leven om zo het geloof ook in praktijk te
brengen. De leefregel, die door Benedictus werd opgesteld en door alle
monniken moest worden nageleefd, had tot doel op aarde de glorie van God
na te streven. Dit doel kon bereikt worden door een eenvoudige en deugzame
manier vana leven, die de monniken een bepaalde mate van heiligheid verschafte.
Hierdoor konden zijn de glorie van God op aarde vertegenwoordigen.
De regel hield in dat hun
leven gericht moest zijn op nederigheid, gehoorzaamheid en het beheersen
van de hartstochten. In praktijk betekende dit dat niemand persoonlijk
eigendom mocht hebben. Het klooster was geheel van de buitenwereld afgesloten,
zodat de monniken alleen met elkaar te maken hadden en niet beinvloed
werden door hetgeen zich buiten de kloostermuren afspeelde. Wel stonden
de poorten van het klooster altijd open voor gasten van buitenaf die onderdak,
eten of bescherming zochten. De monniken hadden vaste tijden van gebed,
ook 's nachts. Om de kloostergemeenschap van voedsel te voorzien, werkten
ze op hun landerijen en hielden wat vee. De gemeenschap functioneerde
volledig zelfstandig, ze bouwden zelfs hun eigen huizen. De monniken mochten
het klooster nooit verlaten. Alleen op deze manier kon men, volgens Benedictus,
een bepaalde graad van goedheid bereiken die kan leiden tot heiligheid.
Deze Benedictijner leefregel werd later in vele West-Europese kloosters
overgenomen. De groep religieuzen die deze leefregel naleefden, wordt
de Benedictijner Orde genoemd.
Na de val van het Romeinse
Rijk (476 n.C.) bleef het lange tijd onrustig in West-Europa. De eeuwen
die volgden, werden beheerst door de volksverhuizingen. De barbaarse volken
die vanuit het oosten Europa binnenvielen, zochten allemaal een eigen
plaats om te wonen. Uiteraard verliep dit proces neit zonder slag of stoot.
Bestaande nederzettingen en steden werden geplunderd en hun bewoners verjaagd.
Deze mensen moesten op hun beurt weer een nieuwe woonplaats zoeken. Het
zal duidelijk zijn dat in een dergelijke situatie nouwelijks sprake kon
zijn van een bloeiend cultureel leven. Op de eerste plaats, omdat men
wel iets anders aan zijn hoofd had dan het maken van kunstwerken. Ten
tweede had het zwervende bestaan van de volken tot gevolg dat nog nouwelijks
grote bouwwerken werden uitgevoerd en andere kunstwerken alleen in klein
formaat gemaakt werden, zodat ze makkelijk vervoerd konden worden.
Ook andere cultuuruitingen
zoals literatuur, filosofie en zelfs het christelijk geloof raakten steeds
meer op de achtergrond. Op allerlei terreinen ging daarom veel kennis
verloren. Deze periode wordt wel de Donkere Eeuwen genoemd.
De barbaarse volken hadden
nog een heidens geloof en toonden geen respect voor de christelijke gemeenschappen.
Een groot aantal monniken en kluizenaars verliet daarom het onrustige
vasteland en trok zich terug in Ierland en Engeland. Deze groepen gelovigen
stichtten gemeenschappen, waardoor de christelijke cultuur vooral in dit
gebied bewaard bleef.
De onrusten in Europa duurden
voort tot ongeveer 700 n.C. Vanaf die tijd werd langzamerhand orde op
zaken gesteld onder leiding van een machtig en invloedrijk geslacht, namelijk
dat van de Karolingers. De bekendste uit die familie was Kaarel de Grote,
die het karolingische Rijk enorm wist uit te breiden. Door het herstel
van de rust in Europa keerden vele monniken terug naar het vasteland om
het christendom opnieuw in West-Europa te verspreiden. Er werden vele
kloosters gesticht die allemaal de Benedictijner Leefregel overnamen.
In de kloosters werden
scholen opgericht, die in het kersteningsproces een enorm belangrijke
rol hebben gespeeld. Die scholen waren niet alleen voor de monniken toegankelijk,
maar ook voor leken. Deze geschoolde mensen kregen natuurlijk allemaal
een bestuurlijke functie, omdat zij konden lezen en schrijven en geestelijk
goed ontwikkeld waren. Op die manier kreeg het christendom een enorme
invloed op de samenleving.
De kloosters waren niet
alleen een bron van (christelijke) kennis, maar ook van grote economische
welvaart. De monniken werkten hard op het land, maar zij verbruikten weinig
van hetgeen ze produceerden door hun eenvoudige leefwijze. Wat overbleef
werd verkocht aan de omringende dorpen en steden. Op die manier verwierven
de kloosters een enorme rijkdom, die werd opgeeist door de leider van
het klooster, de abt, omdat de monniken geen persoonlijk bezit mochten
hebben. De abten van de kloosters kregen hierdoor veel aanzien door hun
rijkdom en hun macht. Wereldse machthebbers wilden ook profiteren van
deze rijdkommen en gingen zich met de kloosters bemoeien. Ze wisten door
te dringen in de kloosterorganisaties door bevriende abten te benoemen.
De Benedictijner regel raakte steeds meer op de achtergrond en het belangrijkste
doel van het klooster werd het verharen van rijkdom en macht onder een
religieuze dekmantel.
Natuurlijk kwam op deze
ontwikkeling een reactie vanuit serieuzere christelijke kringen. In 910
werd op het landgoed Cluny in Bourgondie, in Frankrijk, een nieuw klooster
gesticht. Deze kloostergemeenschap keerde weer terug naar de oorspronkelijke
leefregel van Benedictus van Nursia. Vaanuit dit klooster werden andere
kloosters hervormd. Het klooster van Cluny werd direkt onder het gezag
van de paus geplaatst, zodat inmenging van wereldse leiders onmogelijk
was en van buitenaf toezicht gehouden kon worden op het naleven van de
regels.
De oorspronkelijke Benedictijner
regel werd een klein beetje gewijzigd. Alle monniken die daar geschikt
voor waren, moesten priester worden en hoefden geen lichamelijk werk meer
te verrichten. Hun bezigheden bestonden enkel uit gebed en studie. Vooral
het laatste heeft grote invloed op de ontwikkeling van de wetenschappen
gehad. De kennis die tijdens de volksverhuizingen verlogen was gegaan,
werd in de 10de en 11de eeuw weer langzaam opgebouwd. Het studiemateriaal
bestond namelijk hoofdzakelijk uit geschriften uit of gebaseerd op de
Klassieke Oudheid.
Tevens heeft de hervormingsbeweging
vaan Cluny grote invloed gehad op de ontwikkeling van de beeldende kunst
en de architectuur. Rond het jaar 1000, dus ongeveer 100 jaar na de oprichting,
had het klooster ruim 1000 grote en kleine kloosters onder haar gezag.
Dit gegeven is van groot belang voor de Europese architectuur-geschiedenis.
Met het geld dat deze kloosters bijeenbrachten, door werk maar ook door
de vele schenkingen, werden nieuwe kerken en kloosters gebouwd. Voor het
eerst sinds de val van het Westromeinse Rijk werd weer op grote schaal
de bouwkunst bedreven. De bouw van kerken en kloosters had bovendien een
opleving van de beeldhouwkunst tot gevolg. De kerken werden immers versierd
met monumentaal beeldhouwwerk. Ook andere kunstvormen kwamen tot bloei
in de vroege Middeleeuwen
door toedoen van de kloosters.
Monniken,
maar ook leken die bij de monniken woonden, specialiseerden zich in het
copieren (overschrijven, boekdrukkunst is nog nier uitgevonden) en illustreten
van handschriften. Verder waren ze bedreven in het emaille- en edelsmeedwerk,
weven en tapijtknopen, klokkengieten, boekbinden, glasblazen en pottenbakken.
De rijkdom van de kloosters
komt in deze periode niet toe aan de abt, maar aan de kerk. Het wek in
dienst van God kan daardoor met grote luxe voor en ter ere van God omgeven
worden. Doordat alle kloosters met elkaar verbonden zijn door hun afhankelijkheid
van Cluny, vertonen de gebouwen en kunstwerken stilistisch vele overeenkomsten.
De stijl die tussen 1000 en 1200 ontstaan en verspreid is, wordt Romaans
genoemd.
Ook de Gotiek
is vanuit de kloosters ontwikkeld en verspreid. Abt Suger in Saint Denis
en de orde van de cistercienzers liet over heel Europa haar kloosters
in gotische stijl bouwen.

