Griekenland werd door de Grieken in de Klassieke
Oudheid Hellas genoemd. De oorsprong van het woord Griekenland stamt uit het Latijn, de taal van de
Romeinen.
De cultuur van de oude Grieken is de eerste beschaving van betekenis in West-Europa en wordt over het algemeen beschouwd als de bakermat, de basis van de
Westeuropese beschaving. De bloei van de Griekse Oudheid beslaat ongeveer 650 jaar en duurde van ca. 800 tot 140 voor Christus. Binnen dit tijdsbestek
zijn een fase van ontwikkeling, bloei en verval te onderscheiden. Deze perioden worden respectievelijk de archaische, klassieke en hellenistische
periode genoemd.
De Archaische periode beslaat de periode van 800 tot 500 voor Christus.
Het woord archaisch is van Griekse oorprong en betekent vrij vertaald 'uit het begin'. In deze tijd werden de eerste grote tempels gebouwd en
ook de schilderkunst en monumentale beeldhouwkunst kwam tot ontwikkeling.
De Klassieke periode beslaat de periode van ongeveer 500 tot 350 voor Christus. In deze periode kwamen vrijwel alle denkbare cultuuruitingen
tot grote bloei: filosofie, politiek, literatuur, muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur. De verworvenheden uit deze tijd zijn in
de loop van de geschiedenis van zoveel betekenis en invloed gebleken, dat deze periode klassiek en ook de Gouden Eeuw van de Griekse Oudheid
wordt genoemd.
De
Hellenistische periode beslaat de periode van ongeveer 350 tot 140 voor Christus. Deze tijd begint met de veroveringen van Alexander
de Grote. Zijn rijk strekte zich uit van Griekenland tot
ver in het Midden-Oosten. Na verloop van tijd nam de macht van de Grieken
echter steeds verder af. De leidende positie van Griekenland werd in de tweede eeuw voor Christus overgenomen door de Romeinen die Griekenland
in het jaar 140 voor Christus tot een handelsprovincie van het Romeinse Rijk maakten.
Het evenwicht, de harmonie, is een belangrijk begrip in de Klassieke Oudheid geweest. Optimale harmonie werd als teken van Goddelijkheid beschouwd.
In de opvoeding van de jonge Grieken werd daarom veel zorg besteed aan het in evenwicht brengen van lichaam en geest. Men streefde naar perfectie
van zowel de uiterlijke als de innerlijke schoonheid.
In de Griekse Oudheid werd de mens als het middelpunt van het heelal beschouwd. In de Griekse maatschappij stond de mens, als zelfstandig functionerend
individu, evenals het leven op aarde centraal. Ook religie, die gebaseerd was op mythen speelde
in deze maatschappij een belangrijke rol.
In de kunst zijn alle bovengenoemde elementen terug te vinden. De vormgeving van de kunststukken wordt bepaald door het streven naar harmonie en schoonheid
en door een zo realistisch mogelijke weergave van het af te beelden object te bewerkstelligen. Inhoudelijk worden de kunstwerken bepaald door historische
gebeurtenissen, mythologische verhalen en de dagelijkse bezigheden van de mens.
De
bekendste bouwvorm uit de Griekse periode is de tempel. De Griekse tempel besstaat uit verschillende ruimten waarvan de cella het belangrijkst is.
In de cella werd namelijk het beeld geplaatst van de god waaraan het gebouw gewijd was, zoals bijvoorbeeld Zeus, Apollo of Athena. De opbouw van de Griekse tempel is
gedurende de eeuwen in grote lijnen hetzelfde gebleven. Toch zijn binnen de Griekse tempelbouw drie verschillende orden te onderscheiden: de Dorische,
Ionische en Korintische
orde. De belangrijkste verschillen tussen de drie orden zijn terug te vinden in het aantal treden dat de toegang tot de tempel verschaft, de opbouw van de tempelzuilen en de mate van versiering.
De
eerste tempels in Griekenland waren van hout. Rond het jaar 600 voor Christus verrezen de eerste stenen tempels. De mooiste voorbeelden van Griekse tempelbouw zijn in de klassieke periode gebouwd. De beroemste is wel het Parthenon (448-432 v. Chr.). Het Parthenon is een hoogtepunt in de Griekse architectuur vanwege
de evenwichtigheid en de elegantie van het kolossale gebouw.
De
beeldhouwkunst van de oude Grieken is voornamelijk religieus van aard. De oudste beeldjes die men kent, zijn geschenken die aan overledenen in
het graf werden meegegeven. Levensgrote sculputren werden voor het eerst rond hete jaar 660 voor Christus gemaakt. Deze beelden stellen jonge mannen
en vrouwen voor. Een mannelijk beeld wordt kouros genoemd en een vrouwelijk beeld kore.
Het zijn geen portretten van mensen die werkelijk geleefd
hebben, maar de beelden stellen goddelijke figuren voor. In hun belltenis komt het schoonheidsideaal van die tijd tot uitdrukking: voor mannen jong
en athletisch, voor vrouwen jong en bevallig. Later werden wel beelden gemaakt van personen die echt geleefd hebben, zoals kampioenen van de Olympische Spelen, belanrijke politici en filosofen.
De schoonheid van het menselijk lichaam is voor de Grieken een teken van goddelijkheid. Daarom streven de beeldhouwers naar een perfecte weergave
van de ideale lichaamsvormen en -houdingen. Vooral de mannelijke beelden zijn interessant, omdat hun naakte lichamen goed de ontwikkeling van de
beeldhouwkunst tonen. In de ontwikkeling van de Griekse beeldhouwkunst zijn duidelijk de verschillen tussen de archaische, klassieke en hellenistische
periode terug te vinden.
Archaische
kenmerken: duidelijk te zien dat de beelden uit een rechthoekig blok
zijn gesneden. De beelden hebben een stramme en frontale houding, de haren
zijn zeer gestileerd weergegeven, de lichaamsvormen werden met lijnen
aangegeven en er is sprake van een archaische glimlach.

Klassieke kenmerken: beheerste beweging, het algemene schoonheidsideaal werd
weergegeven en er was sprake van harmonie tussen spanning en ontspanning.
Verder was er sprake van een perfecte anatomische weergave, naturalisme
in de houding door middel van de contrapost (een licht draaiing van de
heup doordat een knie licht gebogen is) en de archaische strakke glimlach
werd vervangen door een meer natuurlijke glimlach.
Hellenistische
kenmerken: zeer sterk individualisme, wat naar voren kwam door ook
levende personen weer te geven. Verder waren veel emotie en veel beweging
van groot belang. De frontale positie maakte plaats voor meerdere aanzichten
binnen een beeld.
Van
de schilderstukken uit de Griekse oudheid is nauwelijks wat bewaard gebleven.
De meeste restanten van de Griekse schilderkunst is op de aardewerken
vazen terug te vinden. Vazen in allerlei soorten en maten waren dagelijkse
gebruiksvoorwerpen, maar de vazen die beschilderd waren hadden meestal
een bijzondere functie. Vaak sierden ze de graven of werden geschonken
aan de winnaar van een wedstrijd. De stillistische ontwikkeling van de
vaasschilderkunst komt in grote lijnen overeen met die van de beeldhouwkunst.
De twee belangrijkste stijlen zijn de rode-figurenstijl en de zwarte-figuren
stijl. De voorstellingen op de vazen zijn een enorme bron van informatie
over de gewoonten en ideeen van de oude grieken.

